Agents gaan steeds meer zelf doen. Hoe houden we ze beheersbaar?
Agents ontwikkelen zich snel. Waar ze eerst vooral informatie opzochten of een concept opstelden, krijgen ze steeds vaker toegang tot databronnen, applicaties en processen. Ze kunnen informatie combineren, een vervolgstap bepalen en die soms ook zelfstandig uitvoeren.
Dat biedt veel mogelijkheden. Tegelijkertijd verandert er iets wezenlijks zodra een agent niet alleen ondersteunt, maar ook handelt. Toegang tot informatie krijgt dan een andere betekenis. Een fout kan verder doorwerken in een proces. En als er iets misgaat, wil je kunnen achterhalen wat een agent precies heeft gedaan en waarom.
Daarom kijken we bij agents niet alleen naar wat technisch mogelijk is. Governance en security moeten meegroeien met de ruimte die je een agent geeft. Veel principes daarvoor kennen we al uit identity, security en informatiebeheer. Bij agents krijgen ze alleen een nieuwe toepassing.
Eerst weten welke agents er actief zijn
Goed beheer begint met overzicht. Welke agents worden binnen de organisatie gebruikt? Waarvoor zijn ze bedoeld? Welke databronnen en systemen gebruiken ze? En wie is verantwoordelijk voor hun werking?
Dat overzicht is minder vanzelfsprekend dan het misschien klinkt. In onze recente benchmark onder commerciële organisaties die al met Microsoft Copilot werken, gaf 45 procent aan niet te weten hoeveel agents actief zijn of nog geen actief beleid voor het beheer ervan te hebben. Dat wordt relevanter nu medewerkers steeds eenvoudiger zelf agents kunnen bouwen en bestaande agents steeds meer mogelijkheden krijgen.
Een agent kan bovendien klein beginnen. Bijvoorbeeld binnen één team, voor één specifieke taak. Naarmate het gebruik groeit, kan dezelfde agent toegang krijgen tot meer informatie of onderdeel worden van een proces waar andere medewerkers inmiddels op vertrouwen. Daarom helpt het om vanaf het begin duidelijk vast te leggen waarvoor een agent bestaat, wie eigenaar is en welke systemen nodig zijn om zijn taak uit te voeren. Zo voorkom je dat agents ongemerkt uitgroeien tot een belangrijk onderdeel van de organisatie zonder dat iemand daar nog goed zicht op heeft.
Toegang alleen vertelt niet genoeg
Bij security kijken we traditioneel veel naar toegangsrechten. Wie mag welke informatie bekijken en onder welke voorwaarden? Voor agents blijft dat belangrijk, maar het is niet voldoende. Een medewerker met toegang tot honderd klantdossiers kan die informatie bekijken en vervolgens zelf bepalen wat ermee gebeurt. Een agent met dezelfde toegangsrechten kan alle dossiers achter elkaar verwerken, informatie uit andere systemen toevoegen en direct een vervolgstap uitvoeren.
Op papier hebben de medewerker en de agent misschien dezelfde toegang. In de praktijk kan hun impact sterk verschillen. Daarom kijken we bij agents ook naar de ruimte om te handelen. Welke taak voert de agent uit? Welke informatie heeft hij daarvoor nodig? Welke systemen moet hij kunnen gebruiken? En welke acties mag hij zelfstandig uitvoeren?
Een agent die informatie samenvat, brengt andere risico's met zich mee dan een agent die records aanpast, berichten verstuurt of acties start in een bedrijfskritisch proces. Door die handelingsruimte bewust af te bakenen, kun je een agent voldoende mogelijkheden geven om zijn werk goed te doen zonder automatisch alle beschikbare technische mogelijkheden open te stellen.
Structuur in een dynamisch AI-landschap
Niet iedere actie vraagt om menselijke controle
Agents worden interessant doordat ze zelfstandig taken kunnen uitvoeren. Wanneer een medewerker iedere stap moet goedkeuren, verdwijnt een groot deel van die meerwaarde. Menselijke controle betekent daarom niet dat iemand voortdurend moet meekijken. Het gaat erom dat je vooraf bepaalt bij welke handelingen een agent zelfstandig verder kan en wanneer een extra controle verstandig is. Daarbij speelt vooral de mogelijke impact van een actie een rol.
Informatie verzamelen of classificeren kan in veel situaties zelfstandig. Het aanpassen van grote hoeveelheden gegevens, delen van gevoelige informatie of uitvoeren van een actie met financiële gevolgen vraagt mogelijk om meer controle. Dat hoeft geen ingewikkeld model te zijn. Het helpt al om per agent bewust te kijken naar de taak, de mogelijke gevolgen van fouten en de mate waarin een uitgevoerde actie weer kan worden teruggedraaid. Zo voorkom je dat alle agents onder dezelfde regels vallen, terwijl hun rol en impact in de praktijk sterk kunnen verschillen.
Kunnen we achterhalen waarom een agent iets heeft gedaan?
Ook bij een goed ingerichte agent kan iets misgaan. Een bron kan onjuiste informatie bevatten, een document kan zijn gemanipuleerd, een koppeling kan anders reageren dan verwacht of een agent kan op basis van een combinatie van informatie tot een uitkomst komen die niemand had voorzien.
Op zo'n moment heb je weinig aan een technische logregel waarin alleen staat dat een actie succesvol is uitgevoerd. Je wilt kunnen reconstrueren welke opdracht de agent kreeg, welke informatie hij daarvoor gebruikte, welke systemen zijn geraadpleegd en welke acties vervolgens zijn uitgevoerd. Die context wordt steeds belangrijker naarmate agents zelfstandiger werken.
Bij een afwijkend medewerkersaccount zijn veel stappen binnen security inmiddels bekend. Je kunt toegang blokkeren, sessies beëindigen en onderzoeken welke activiteiten hebben plaatsgevonden. Bij een agent wil je daarnaast begrijpen hoe een actie tot stand is gekomen en welke vervolgstappen daar mogelijk uit voortkwamen.
In onze benchmark gaf 83 procent van de organisaties aan geen inzicht te hebben in incidenten met agents. Dat betekent niet automatisch dat er incidenten plaatsvinden, maar zonder voldoende zicht wordt het wel moeilijker om met zekerheid vast te stellen wat er gebeurt. Monitoring van agents gaat daarom verder dan alleen controleren of een account of koppeling technisch correct functioneert. Ook de context van acties moet voldoende zichtbaar zijn om bij afwijkingen onderzoek te kunnen doen.
Een agent stoppen kan kan ook een bedrijfsproces raken
Er ontstaat nog een ander aandachtspunt wanneer agents structureel onderdeel worden van het dagelijkse werk. Wat gebeurt er als je een agent tijdelijk moet uitschakelen?
Bij een agent die alleen informatie opzoekt, is dat waarschijnlijk goed op te vangen. Maar een agent kan ook aanvragen verwerken, planningen aanpassen, informatie tussen systemen synchroniseren of andere operationele taken uitvoeren. In zo'n situatie raakt een securitymaatregel direct de bedrijfsvoering. Daarom is het verstandig om bij belangrijke agents ook te kijken naar afhankelijkheden. Welke processen maken gebruik van de agent? Wat gebeurt er wanneer hij tijdelijk niet beschikbaar is? Kan iemand het werk overnemen? En hoe controleer je welke acties nog liepen op het moment dat de agent werd gestopt? Dat zijn dezelfde soort vragen die organisaties al langer stellen rond kritieke applicaties en systemen. Zodra een agent een structurele rol krijgt in een proces, hoort hij ook in dat continuïteitsbeeld thuis.
Agent governance hoeft geen los programma te worden
Met de komst van agents ontstaat al snel de neiging om een compleet nieuw governance en securitymodel op te tuigen. Dat is lang niet altijd nodig. Veel bouwstenen zijn al aanwezig. Identity governance kan ook rekening houden met agent identities. Bestaande processen voor toegangsbeheer kunnen worden uitgebreid met de acties die een agent mag uitvoeren. Monitoring kan naast gebruikers en applicaties ook activiteiten van agents zichtbaar maken. Incidentrespons kan scenario's bevatten waarin een agent betrokken is. En bij kritieke processen kun je rekening houden met afhankelijkheid van agents. Dat sluit ook aan op bestaande verplichtingen rond digitale weerbaarheid, waaronder de Cyberbeveiligingswet. Onderwerpen als risicobeheersing, toegang, incidentrespons en bedrijfscontinuïteit zijn daarin al belangrijke onderdelen.
Voor agents hoeft daar geen afzonderlijke wereld naast te ontstaan. Het is vooral belangrijk om bestaande afspraken opnieuw te bekijken nu er een nieuwe digitale actor bijkomt die zelfstandig informatie kan verwerken en acties kan uitvoeren.
Meer autonomie vraagt om beter zicht
Agents zullen de komende tijd steeds meer onderdeel worden van het dagelijkse werk. Dat is ook precies waar een groot deel van hun waarde ontstaat. Tegelijkertijd groeit met die autonomie de noodzaak om te weten wat er binnen je omgeving gebeurt. Welke agents zijn actief, welke ruimte hebben ze gekregen, waar zijn processen van hen afhankelijk en kun je reconstrueren wat er is gebeurd als iets anders loopt dan verwacht?
Goed ingerichte governance hoeft de ontwikkeling van agents niet af te remmen. Het zorgt juist voor duidelijke grenzen waarbinnen je ze verder kunt inzetten. Want hoe meer een agent zelfstandig kan doen, hoe belangrijker het wordt dat je weet waar die zelfstandigheid begint en eindigt.